Hoge Raad: geen verlaagd btw‑tarief voor alcoholhoudend pauzedrankje in theater
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het verstrekken van een alcoholhoudend pauzedrankje in een theater geen bijkomende prestatie is die het fiscale lot van de theatervoorstelling deelt. Het drankjes valt daarom niet onder het verlaagde btw‑tarief dat geldt voor toegang tot culturele voorstellingen. Wel wordt de zaak verwezen voor beoordeling van het vertrouwensbeginsel.
Feiten en achtergrond
Stichting X exploiteert een theater waarbij de toegangsprijs voor bezoekers is inbegrepen inclusief een pauzedrankje. Bezoekers kunnen daarbij kiezen voor een alcoholvrij of alcoholhoudend drankje. In haar btw‑aangiften paste Stichting X voor de alcoholhoudende pauzedrankjes het algemene btw‑tarief toe.
Later stelde Stichting X zich op het standpunt dat ook op deze drankjes het verlaagde btw‑tarief van toepassing zou zijn, omdat het drankje onderdeel zou vormen van de totale theaterbeleving. Zij vroeg daarom teruggaaf van de volgens haar te veel betaalde btw.
Procedure bij rechtbank en hof
Na de teruggaaf legde de Belastingdienst alsnog een naheffingsaanslag op. De Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant stelde de inspecteur in het gelijk. Het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch kwam echter tot een ander oordeel en oordeelde dat het pauzedrankje een bijkomende prestatie is die het btw‑tarief van de hoofdprestatie (de theatervoorstelling) volgt.
De Staatssecretaris van Financiën ging vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en beslist dat het verstrekken van een alcoholhoudend pauzedrankje geen bijkomende prestatie is die deelt in het verlaagde btw‑tarief voor de theatervoorstelling. Daarmee bevestigt de Hoge Raad zijn lijn dat afzonderlijke consumpties met een eigen economisch belang zelfstandig btw‑rechtelijk moeten worden beoordeeld.
Het cassatieberoep van de Staatssecretaris is daarmee gegrond.
Verwijzing wegens vertrouwensbeginsel
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden. Dat hof moet beoordelen of de opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met het vertrouwensbeginsel, bijvoorbeeld omdat de Belastingdienst bij Stichting X gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt over de btw‑behandeling.
Neem contact op met onze expert.
Neem contact op